Op 28 mei 1932 werd het laatste gat in de Afsluitdijk gedicht en daarmee kwam er een einde aan het bestaan van de Zuiderzee.

De 32 kilometer lange waterkering is niet alleen een handige verbinding tussen Noord-Holland en Friesland, het beschermt ons ook tegen het woeste water van de zee.

De aanleg van de Afsluitdijk begon in 1927. Er werd op vier plaatsen tegelijk gewerkt: vanaf de oever van Noord-Holland, vanaf de oever van Friesland en op twee gemaakte eilanden daartussenin. Op de bodem werden matten van gevlochten wilgentakken gelegd en daarop werden grote steenblokken gestort. En daar weer overheen kwam kleileem. Duizenden arbeiders hebben met blote handen dag in dag uit meegewerkt aan de bouw.

In 1932 was het dus zover, de Afsluitdijk was klaar! Het enthousiasme over de komst van de waterkering was groot. Het werd gezien als ‘een glorieuze overwinning in Hollands eeuwige tweestrijd met het water'. Maar er klonken ook andere geluiden. Op de dag dat de dijk werd gedicht hingen in veel vissersdorpen langs de Zuiderzee de vlaggen halfstok. Haring, garnalen en andere zoutwatervissen zouden geleidelijk gaan verdwijnen, dit betekende natuurlijk een groot probleem voor de vele vissers. En dat was niet alles, ook de van de visserij afhankelijke bedrijven als rokerijen, kuiperijen, mandenmakerijen, zeilmakerijen en scheepswerven zagen hun inkomsten dalen en moesten in hoog tempo de deuren sluiten.

Einde van de Zuiderzee


Een Marker visser werd voortdurend bestolen: er ging geen week voorbij of hij miste enkele kwartjes. Daarom ging hij naar de slaapster

(somnambule) in Amsterdam en daar deed hij zijn verhaal. "Wat wil je dat ik doe, schipper?" vroeg de slaapster. "Kun je de dief niet het bloed onder de nagels uitpersen", antwoordde de Marker, "zodat ie het stelen voorgoed verleert?" "Ik ken haar wel plagen. Maar voor hoe lang wil je dat ik dat doe; voor een week, voor een maand, voor een jaar?

Je hebt het maar voor het zeggen." "Dan voor levenslang." "Dat ken", zei de oude slaapster. "Wat meer is, het zal gebeuren. Op jouw verzoek zal ik haar plagen, zolang als ze leeft." "Is het een vrouw? " wilde de Marker nog weten. "Nee, ik zeg het je niet, nog niet, beste man.

Je moet nooit te veel willen weten." Twee maanden later kwam de Marker weer in Amsterdam bij de slaapster. "'t Was mijn dochter", zei hij, "en je wist het." "Ziet ze wat?" vroeg de oude vrouw. "Ja", zei de visser, "elke nacht die God geeft ziet ze een witte hond, een helemaal witte hond. Ze hoort hem al uit de verte aankomen en met zware poten door het steegje lopen. Dan schuurt hij langs de regenton. De deur gaat open en hij komt de gang binnen. Hijgend ligt hij nog lang voor de deur eer hij binnenkomt en ze hem ziet. Dan komt er een zwarte kip met grote moeite door het venster gefladderd. Ze trippelt door de kamer, vliegt naar het bed en gaat op de rand zitten. Dan wiegelt ze heen en weer, al maar heen en weer... Mijn dochtertje krijgt het benauwd, o zo benauwd.

Ze wil wel gillen, maar ze kan niet en dan slaat ze met haar armen en benen. Weg! Weg! Maar de zwarte kip blijft wiegelen en de witte hond blijft hijgend voor haar bed liggen en o God, o God..." De visser huilde met lange uithalen. De slaapster, die tegenover hem zat, zei: "Er is niets meer aan te doen. Je hebt het trouwens zelf gewild, maar ze zal gauw doodgaan; laten we zeggen over een maand of drie."

Drie maanden later stierf het meisje ginder op Marken in de Kerkbuurt. Tot in haar laatste ogenblikken heeft ze de beide dieren gezien en gehoord: de witte hond die zo hijgde en de zwarte kip die op de rand van het bed heen en weer wiegelde.



Bron: Verhalenbank Meertens Instituut

Bij de slaapster

Zuiderzeeambachten

Informatie aanvraag


Het eiland Marken leefde vroeger van de zee. Beter gezegd: van het zilver van de zee, oftewel de vis, die de Markers – net als de Volendammers – in enorme hoeveelheden uit zee visten. Op oude prentbriefkaarten en oude foto’s zie je de Marker haven dan ook vol vissersschepen liggen. Als bestaansbron was de zee voor de Markers dus een ‘vriend’. Maar de zee had ook een andere kant ….


Vis bracht brood op de plank

Hoezeer de Markers vroeger van de zee leefden laten de cijfers zien. In het jaar 1905 bestond de Marker vissersvloot uit 139 botters en nog een twintigtal kleinere schepen. Allemaal voor de visserij op de voormalige Zuiderzee (nu IJsselmeer). Die vloot werd door in totaal 346 mannen (soms jongens) bemand. Op een kleine bevolking van zo’n 1400 zielen is dat veel, heel veel. En daarnaast werkten nogal wat Markers als bemanningslid op Vlaardinger, Scheveningse of Katwijkerharingloggers, die op de Noordzee visten.

Al met al waren verreweg de meeste kostwinners op Marken visser of bemanningslid van een vissersschip. Het was dus de vis, die op Marken brood op de plank bracht.


Maar die vis werd duur betaald

De zee gaf Marken op die manier veel en kon dan ook als ‘vriend’ beschouwd worden.

Al werden de Markers er niet rijk van en was het hard werken. En een gemakkelijke vriend was de zee ook niet altijd, want de vis werd soms duur betaald, zoals dat heet.

Nogal wat Marker mannen of jongens zijn op zee gebleven. Zo staat helemaal in Lerwick op de Shetland eilanden het graf van de in 1904 verdronken Jan Kes.

Hij moet over boord gevallen en verdronken zijn. Of hij later is aangespoeld of dat men zijn lichaam toch nog op een of andere manier aan boord heeft weten te krijgen vertelt het verhaal niet.

En Jan Kes was bepaald de enige niet. De Noordzeevisserij maakte overigens de meeste slachtoffers, meer dan de visserij dicht bij huis op de Zuiderzee, hoewel ook die gevaarlijk kon zijn.


Zomaar twee vissersgezinnen

Wie ook van de zee leefden waren Klaas de Waart en Jaap Stooker, beide Marker vissers. Klaas de Waart (1877-1916) was in 1908 getrouwd met Lijsbeth van Riel (1876-1916) en zij hadden twee kinderen: Simon (geboren in 1912) en Lobberig (geboren in 1914). Of Klaas een eigen botter had of als bemanningslid voer weten we niet. In het Bevolkingsregister vinden we als beroep visser opgegeven. En dat geldt ook voor Jaap Stooker (geboren in 1888), die als oudste broer zorgde voor zijn vijf jongere broers en zussen: Jan, Klaas Wolmet, Pieterje en Jannetje. Klaas en zijn gezin woonde op de Witte Werf en Jaap Stooker met zijn broers en zussen op de Groote Werf.

Het zijn zomaar twee Marker vissersgezinnen, maar voor hen zou de zee zich van zijn wreedste kant laten zien.


De zee neemt…

Slecht weer was het in de eerste weken van 1916. Bar slecht werd het op 11 en 12 januari toen een noordwester storm enorme massa’s water door de zeegaten naar binnen joeg en de het waterpeil op de Zuiderzee tot drie meter boven NAP deed stijgen.

De wind kromp de volgende dag naar het westen en met het aanhouden van de storm kreeg het in de Zuiderzee opgestuwde water geen kans bij eb terug te keren. Het was die combinatie van storm en extreem hoog water die de Waterlandse zeedijk in de nacht van 13 op 14 januari 1916 noodlottig werd. De dijken braken op tal van plaatsen en een enorme overstroming was het gevolg. Maar nog veel erger teisterde de zee het slechts door lage dijken beschermde eiland Marken. Zestien slachtoffers waren hier te betreuren en de ravage was enorm. Veertien tot twintig huizen werden totaal vernield, vrijwel alle andere liepen schade op. In de haven zonken twintig botters, andere werden door golven op de kade geworpen. Aan Gerrit Jan Honig uit Zaandijk vertelde een van de eilanders: “Wat een angst hebben we uitgestaan. Ziet ge daar de woning van Klaas de Waard, zijn huis werd door de vloedgolf opgenomen, en dreef met de zee op en neer. Klaas trachtte zich in de dakgoot te redden, steeds om hulp roepende, doch niemand kon hem helpen.

Tot diep in de nacht hoorde men zijn hulpgeschrei. Eindelijk werd het stil. Klaas had zijn graf in de golven gevonden, en met hem zijn vrouw en twee kinderen”.


En op de Groote Werf werden Wolmet, Pieterje en Jannetje Stooker in hun slaapkamer door het water verrast. Anders dan hun broer Klaas, die naar de zolder wist te vluchten konden ze niet meer wegkomen en verdronken. Ze waren respectievelijk 24, 22 en 14 jaar oud.

Ze schijnen hand in hand liggend gevonden te zijn.


Een vijand bedwongen. Een vriend uit het oog verloren

De stormramp van 1916 maakte diepe indruk en gaf de plannen tot afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee, zoals door minister Cornelis Lely opgesteld, de wind in de zeilen. Twee jaar later werd zijn Zuiderzeewet door de Tweede en Eerste Kamer aangenomen.

In 1927 werd begonnen met de aanleg van de Afsluitdijk die in 1932 voltooid werd. De Zuiderzee was IJsselmeer geworden. De zee als vijand was bedwongen. Maar van de betekenis van de zee als vriend bleef ook niet veel over. In het zoete water van het IJsselmeer kon weliswaar op paling gevist worden, maar deze visserij verschafte veel minder vissers een bestaan dan de haring- en ansjovisvangst van vroeger. De vissersvloot kromp en kromp. In 1932 stonden op Marken nog 82 schepen geregistreerd, in 1936 nog 58, in 1951 nog 10 en in 1962 voer de MK 53 van Hein Zeeman als laatste botter de haven van Marken uit. Met als bestemming het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen.

De zee als vriend was een herinnering geworden.




Bronnen:

H.P. Moelker, De Stormvloed in Waterland januari 1916,

Verhalenbank Oneindig Noord-Holland:

De watersnood van 1916, Aeternitati Vigila: waakt immer!


De zee geeft en de zee neemt

Marker haven

Op de top van de visserij in de Zuiderzee, rond 1885, voeren er 1600 vissersboten op de Zuiderzee, waarvan 110 boten uit Vollenhove (ter vergelijking: ook Harderwijk telde 110 boten).

Hiernonder een tabel met vissoorten en visseizoenen in de Zuiderzee.

Sedert 1846 arriveerden de scholen Zuiderzeeharingen wat later, waardoor er een vangst“pauze” viel tussen de herfst en het voorjaar.

Sedert de 18e eeuw verschenen er ook scholen ansjovis, maar niet elk jaar; ze waren door hun snelheid moeilijk te vangen met schepen en vistuig van mindere kwaliteit. Anders dan de Zuiderzeeharing kon ansjovis wel worden ingezouten.

Zuiderzeeharing leverde de meeste inkomsten op. Een indicatie van het aandeel van de vissoorten in de Zuidoosthoek geven de opbrengsten in Vollenhove in 1888: haring 54 %, ansjovis 20 %, paling 9 %, bot 8 %, spiering 7 en garnalen 2 %. Een schipper met een jongen op een visschuit van 15 ton moest voor een gezonde exploitatie zo’n 850 gulden per jaar bij elkaar vangen.

Allerlei milieufactoren waren van grote invloed op de visstand. Sommige vissoorten prefereerden zoet water, andere gaven de voorkeur aan water met een hoger zoutgehalte, maar ook diepte en bodemsoort speelden een rol. Bovendien vertoonde vis in dik water een ander zwemgedrag dan in helder water. In het Zuiderzeebekken was een rijke brakwaterflora en -fauna aanwezig, zoals hij voorbeeld plankton, zonder welke vis niet leven kan.

In de Zuiderzee kwam een opmerkelijke verscheidenheid aan vissoorten voor. Ongeveer 24 verschillende soorten vis en enige schelpen schaaldieren werden regelmatig aangetroffen.

Vooral op het laatst van maart begin april kwam er veel haring naar de Zuiderzee.  ie was dan kuitziek. Niet voor niets werd de Zuiderzee wel de kraamkamer genoemd. Ze trokken in grote scholen en werden dan ook gevangen in zegen en fuiken. Het gebeurde wel dat er zoveel gevangen werd, dat de haring als bemesting van akkers werd gebruikt.

De Zuiderzeeharing is niet geschikt voor het kaken, maar wordt verwerkt tot bokking (warm gerookt) en bakbokking (licht warm gerookt). Dit is de reden waarom er zoveel rokerijen langs de Zuiderzee liggen. In Vollenhove was er in 1832 al een bokking'hang' van baron Van Middachten, op de plek waar de Gasthuisstraat aan zee uitkomt.

De Zuiderzeeharing leek na de aanleg van de Afsluitdijk (1932) uitgestorven te zijn. Maar de eigenschappen van deze soort bleken verrassend genoeg nog steeds aanwezig te zijn. Begin april 2006 vingen Texelse kotters Zuiderzeeharingen in de Waddenzee. Waarschijnlijk zijn ze hier door de steeds algemener wordende bruinvissen heen gejaagd. De Zuiderzeeharing is korter en dikker, en heeft iets minder wervels dan de Noordzeeharing.

De ansjovis, familie van de haring (net als de sardine), kwam in zeer wisselende aantallen voor. In sommige jaren kwam het visje in groten getale in april - mei binnentrekken, andere jaren bleef het soms geheel weg. De Zuiderzee vormde voor de ansjovis de noordgrens van zijn verspreidingsgebied en onder ongunstige omstandigheden, zoals een koud voorjaar, vertoonde hij zich niet. Voor de vissers was een goed ansjovisjaar van grote betekenis. Zij konden met de goede verdiensten hun oude schulden aflossen of noodzakelijke reparaties en vervangingen uitvoeren. Ansjovis werd ingezouten en vervolgens in Amsterdam enige jaren opgeslagen, om daarna als delicatesse vooral naar Duitsland te worden uitgevoerd.

3. soorten die als jonge vis de Zuiderzee binnentrokken, er opgroeiden en weer wegtrokken als ze geslachtsrijp waren. Dit waren bot, aal en Garnaal. Bot kwam verspreid over de hele Zuiderzee voor en paste zich aan het zoutgehalte van het water aan. Vooral op een vette, dikke bodem tierde hij welig en was hij van betere kwaliteit dan de bot die op harde grond werd gevangen. Botvisserij vond bijna het gehele jaar door plaats en was daarom een van de belangrijkste pijlers waarop de Zuiderzeevisserij steunde. De vis was bestemd voor de binnenlandse markt en diende levend aangevoerd te worden; dode bot was waardeloos.

Aal of paling werd ook in de gehele Zuiderzee aangetroffen. Hij kon zich uitstekend aanpassen aan verschillende zoutgehalten. Op aal werd gevist tussen april en oktober, vooral vlak onder de kust. In warme zomers kon de aal getroffen worden door een ziekte en waarbij hij vuurrood werd en spoedig stierf. Tegen de herfst trokken de volwassen palingen naar buiten om zich voort te planten. Een aanzienlijk gedeelte van de vangst was bestemd voor de export, voornamelijk naar Engeland. Paling werd daarvoor gerookt, in Vollenhove in de rokerij van Konter en in die van de firma Jongman ('Harm de Slenger').

Garnaal kwam 's zomers overal in de Zuiderzee voor. Er werd tot oktober - november op gevist. De vangst was enerzijds bestemd voor consumptie, de Zuiderzeegarnaal was veel fijner en zoeter van smaak dan de iets grotere Noordzeegarnaal, anderzijds werd zij gebruikt als aas voor kubben of hoekwant. Een belangrijke afzetmarkt voor garnalen was Amsterdam, vooral voor de Volendammer vissers. Zij voerden de garnalen vers aan; de consument kookte en pelde ze zelf. Later ontstonden in diverse vissersplaatsen garnalenpellerijen. In Vollenhove was er één op 'het Fort' en later in wat nu Ruimzeezicht heet.


Vissoorten in de Zuiderzee

Garnaal

Bron: Henk van Heerde, Vollenhove

Door de eeuwen heen hebben de vissers rond de Zuiderzee zo hun eigen taal met uitdrukkingen ontwikkeld.

Natuurlijk bestaat er naast de visserstaal ook nog visserslatijn maar dat betekent “grootspraak” of “opschepperij” meestal over de vangst maar dat is hier helemaal niet aan de orde.

Vinden jullie het water ook wel eens dun als je een glaasje water drinkt of dat het water gisteren een beetje dik smaakte? Ik denk het niet.

Misschien hebben jullie het wel eens met zwemmen gedacht. Zo van: het gaat vandaag niet zo gemakkelijk misschien is het water te dik.

En bij dun water zwemt het toch gemakkelijker, zou je denken.

Onzin natuurlijk maar vissers denken daar heel anders over.

Zeker bij de IJsselmeer visserij is het van groot belang of water dik of dun is. Ik zal het hierna proberen te verklaren.

Dun water ontstaat bij mooi weer als het al een paar dagen niet gewaaid heeft en het water dus vlak is en helder. Bij dun water vangt men overdag geen of weinig paling terwijl er ’s nachts wel goed gevulde netten worden binnengehaald. Vissers denken dat door de zon, die

door het dunne water heen schijnt, de paling de netten kan zien. En ze zijn natuurlijk niet gek, zowel de paling als de vissers niet. Ben je eigenwijs en ga je toch overdag vissen, dan vang je bot!

Dik water ontstaat als het flink heeft gewaaid. Als het water zich vermengt met zand - soms wordt het een beetje melkachtig van kleur - dan spreekt men van dik water. De zon schijnt er moeilijk door heen en de paling kan de netten dan niet zien. Dus maakt het niet zoveel uit

voor de vangst of er overdag of ’s nachts wordt gevist.

Klinkt niet geheel onlogisch, toch?


Bron: O. van de Berg en J. Plas. (twee oud-vissers)


Verschil tussen dun en dik water

Vishandel en vis venten via boot, tram of spoor

Niet alleen Zuiderzeevissers, maar ook zij die werkzaam waren in de nevenbedrijven van de visserij voelden de gevolgen van de afsluiting van de Zuiderzee. De ontwikkeling van de vishandel in Vollenhove was in het midden van de 19e eeuw begonnen. Daarvoor brachten de Vollenhover vissers hun vangsten vooral naar de markt van Genemuiden of verkochten hun waar op zee.


Voor de vishandel en visventers waren goede verbindingen met het achterland van groot belang. Spoorwegen en geregelde stoombootdiensten speelden hierbij een belangrijke rol. Jammer was dat de haven van Vollenhove totaal ongeschikt was voor het ontvangen van stoomboten.

En Vollenhove had ook geen goede verbinding met het achterland, terwijl Blokzijl en Zwartsluis dat wel hadden. Om deze reden werd in 1863 aan de minister van Binnenlandse Zaken gevraagd om de nieuw aan te leggen spoorlijn Zwolle Meppel via Vollenhove te laten lopen.


En ook ontstonden eind negentiende eeuw plannen om een stoomtram Zwolle- Vollenhove- Blokzijl op te richten. Baron Sloet van Marxveld was hiervan een groot voorstander en stelde in een brochure dat de twee grootste vishandelaren van Vollenhove op dat moment bijna 230.000 kilogram vis per jaar uit Vollenhove verhandelden naar plaatsen buiten Vollenhove.

De helft daarvan vond zijn weg via stoomboot vanaf Zwartsluis en Blokzijl. De rest werd per spoor verzonden, onder meer naar Antwerpen, Brussel en Parijs.

Het zou echter nog tot 1914 duren voordat het eerste trammetje Vollenhove binnenreed en de handel vanuit die plaats makkelijker werd.





Visch- en palingrokerij H. Jongman aan de Oude Haven in

Vollenhove.

Op de voorgrond de bol VN 2 met botnetten drogend in de mast.



Bron: Nieuw Land


Harderwijk is vooral bekend geworden als Zuiderzeestad. Harderwijk en de Zuiderzee hoorden als een soort Siamese tweeling bij elkaar. Harderwijker vissers verdienden hun geld op die zee. In de middeleeuwen voeren de Harderwijker koggen via de Zuiderzee en de

Noordzee naar het Oostzeegebied en naar Engeland. De zee betekende een extra en vrij toegankelijke verbinding met de buitenwereld.

De zee gaf handel en leven in de stad.

Het Zuiderzeetijdperk eindigde op 28 mei 1932. Toen werd het laatste gat in de Afsluitdijk gedicht. De Zuiderzee veranderde in het IJsselmeer.

Het duurde vijf jaar voordat het IJsselmeerwater helemaal zoet was. Dat betekende niet meer in zout water op haring, ansjovis, spiering, garnalen en bot vissen. Voortaan werden paling en snoekbaars binnenboord gehaald.

Het IJsselmeer werd in snel tempo behoorlijk kleiner. Aan het eind van de jaren dertig begon de inpoldering van de Noordoostpolder: 48.000 hectare vruchtbaar nieuw land (1937-1942).

Eilanden als Urk en Schokland werden voortaan vasteland. Daarna gingen de inpolderingen door. In 1950 begon de aanleg van Oostelijk Flevoland (54.000 hectare, gereed in 1957) en in 1959 van Zuidelijk Flevoland (43.000 hectare, gereed in 1968).

Iemand die zich met hand en tand tegen de afsluiting van de Zuiderzee verzette, was Eibert den Herder (1876-1950). Op de Scheepssingel, naast het stadhuis, staat het kunstwerk Zuiderzeegezicht, helemaal gewijd aan deze bijzondere Harderwijker. De enorme hoed is bedoeld als een symbool voor de zorg die hij had voor Harderwijk en de Zuiderzee. Groene marmeren platen vormen een plattegrond van de Zuiderzee. De grote lijst herinnert aan de schilderijen van de visserij en de schepen van de Zuiderzee die hij maakte.

Den Herder heeft tal van brochures tegen de afsluiting geschreven. Hij probeerde leden van de Tweede Kamer te bewegen tegen de afsluiting te stemmen. Voor eigen rekening produceerde hij de beroemde Zuiderzeefilm, een loflied van drie-en-een-half uur op zijn geliefde zee.

Hij sprak over de gevaren van de afsluiting, namelijk veel hogere waterstanden tijdens zware stormen. In 1943-1944 schilderde hij in een maand of zeven ongeveer tachtig schilderijen met vissersschepen en vooral met oude vistechnieken. Het was een soort eerbetoon aan

de verdwenen zee.

Toen Den Herder zag dat zijn strijd verloren was, adviseerde hij de stad Harderwijk voortaan flink wat kaarten op het toerisme te zetten.

Hij was bestuurslid van de Vereniging voor Vreemdelingenverkeer (VVV) en kan, na de Tweede Wereldoorlog, als grondlegger van het Dolfinarium worden beschouwd. Al in 1926 startte hij een toeristische bootdienst van Amsterdam naar Harderwijk, bekend als de Holland- Veluwe-Lijn. Kortom, Eibert den Herder heeft veel voor Harderwijk betekend.

De Harderwijker visserij is vrijwel ter ziele, maar dat ligt niet zozeer aan de afsluiting van de Zuiderzee. Een plaats als Urk is bepaald niet armlastig geworden toen de zee verdween. Het tegendeel is waar, de Urkers zijn op de Noordzee, en later nog verder, gaan vissen met

moderne en grotere vissersschepen. De Harderwijker vissers staakten feitelijk de strijd om het vissersbestaan en kozen voor andere beroepen.

Overigens bracht de inpoldering Harderwijk niet alleen nadelen. We hebben er het Wolderwijd en het Veluwemeer aan te danken. Bij het droogleggen van de Noordoostpolder maakte men namelijk de fout het nieuwe land direct te verbinden met het oude land. Dat leidde tot een veel lagere grondwaterstand waardoor huizen verzakten en de landbouwgrond ging inklinken. Toen heeft men geleerd om bij dergelijke inpolderingen voortaan randmeren aan te leggen. Een prettige bijkomstigheid was dat die waterplassen ruime recreatiemogelijkheden boden.


Afsluiting van de Zuiderzee

Schilder Eibert den Herder

Bron: mijn Gelderland

Huizer vissers

De vis werd duur betaald

In de nacht van 13 op 14 januari 1916 voltrok er zich rond de Zuiderzee een watersnoodramp. Een stormvloed viel samen met een hoge afvoer op de rivieren, waardoor op verschillende plaatsen de dijken doorbraken. In de provincie Noord-Holland kwamen daarbij 19 mensen om het leven.

Een aantal schepen kwam in de problemen ten gevolge van de stormachtige wind of zonk, wat nog eens 32 doden ten gevolge had. Eén van hen was een Huizer visser die in de buurt van Hoorn was verdronken. Zijn zoon moest hem gaan identificeren.

De visser had twee knikkers in zijn broekzak en had al eerder tegen zijn zoon gezegd: "als ik ooit verdrink en gevonden wordt, dan kun je me daaraan herkennen."


Uit armoede toch de zee op

De Zuiderzee werd vaak geteisterd door stormen en hoog water, wat tot dodelijke ongelukken met vissersboten leidde. Dit weerhield de Huizer vissers echter niet om elke week weer met gevaar voor eigen leven met hun botter de Zuiderzee op te varen om te gaan vissen. Ze moesten wel. Vanwege de bittere armoede namen de Huizer vissermannen, en vaak ook jongens, de gevaren op de koop toe.

Het risico om dit met de dood te moeten bekopen calculeerden zij in, omdat er nu eenmaal brood op de plank moest komen voor hun gezin.


Vader en zoon Veerman verdronken

Op 9 maart 1925 was op kleine afstand van de Huizer haven de botter van de familie Veerman omgeslagen in een zware sneeuwstorm. De zestigjarige visserman Izaak Veerman kwam daarbij direct om het leven.

Zijn drieëntwintigjarige zoon Pieter probeerde nog naar een naburige botter te zwemmen, maar bezweek in het ijskoude water.

Vrouw Veerman bleef alleen achter. Ze moest heel hard werken om nog rond te komen. Het Huizer Melkmeisje kwam daarom geregeld bij haar langs. Het meisje liet zich echter nooit zien. Meerdere weduwen beschrijven dezelfde ervaring wanneer ze weer eens een kannetje heerlijke romige melk op de stoep aantroffen. De straat was altijd verlaten en allen spreken ze over een gouden zweem van licht.


Bron: Redactie Oneindig Noord Holland


Haven van Huizen Botter HZ 52 van de Veermannen uit Huizen op de Zuiderzee

Halverwege de 17e eeuw was de haringvisserij over haar hoogtepunt heen. Teruglopende opbrengsten brachten vissers ertoe hun heil te zoeken in de walvisvaart. Noord-Hollandse plaatsen die in de 18e eeuw veel walvisvaarders leverden, waren Amsterdam, de Zaanstreek en De Rijp. Baleinen en walvistraan waren de belangrijkste redenen om op de walvis te jagen. Traan (walvisolie) werd verkregen door de speklaag van het dier te koken. Deze olie diende als lampolie, en werd gebruikt in stopverf, zeep en om huiden en leer soepel te houden. De Hollanders waren zo bedreven dat in de 19e eeuw de Groenlandse walvis en de Noordkaper op een haar na waren uitgestorven.


Zuiderzee

Van geheel andere aard was de visserij op de Zuiderzee. Deze speelde een belangrijke rol in de plaatselijke economie in dorpen als Volendam en Huizen. In de 19e eeuw vergroten deze vissersvloten hun vangstgebied en begaven zich ook op de Noordzee (daarbij geholpen door de opening van het Noordzeekanaal).

Volendam had de grootste vloot op de Zuiderzee, gevolgd door de vissersvloten van Huizen en Urk. Na de aanleg van de Afsluitdijk nam de betekenis van de visserij op de Zuiderzee sterk af. Op de Noordzee had de Zuiderzeevloot het ook lastig. De kleine scheepjes moesten concurreren met nieuwere en grotere schepen. Alleen de vloot uit Urk hield stand, de rest verdween.

Hoewel vis nog altijd een economische factor van betekenis is in Noord-Holland, loopt de werkgelegenheid al jaren terug.

Voor de toekomst valt mogelijk veel te verwachten van innovaties in de aquacultuur.


Bron: Redactie Oneindig Noord Holland


Walvisvaarders

De Vischpoort en de Vischmarkt zijn voor veel mensen symbolisch voor Harderwijk. Vissers en visserij horen immers van oudsher bij onze stad, net als later het Dolfinarium.

Al in 1443 kreeg Harderwijk het stapelrecht op alle gevangen vis tussen Muiden en Kampen. Dat betekende dat al die vis hier moest worden verkocht. Tot de bouw van de Afsluitdijk in 1932 leefde een flink aantal gezinnen van wat de Zuiderzee te bieden had.

De naam Vischmarkt herinnert nog aan die 'goede, oude tijd', die overigens heel wat minder romantisch is dan nu vaak lijkt. Merkwaardig genoeg werd op de Vischmarkt geen vis verkocht. Dat gebeurde bij de Hoge Bruggepoort, aan het begin van de Vijhestraat.





















De naam Vischmarkt is pas veel later in zwang gekomen. Naar schatting zorgde de visserij in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw voor zo'n tien tot twintig procent van de werkgelegenheid in Harderwijk.

Jood van de Kuute (HK 41), Strontjen (HK 82), de Linkse (HK 99), Goossen de Snottelikkert (HK 55), de rijke jongeling (HK49).

Zo maar een paar namen van vissers en de cijfers van hun 'skuuten'. Want als je in Harderwijk woonde hoorde je Karssen, Petersen, Klaassen of Foppen te heten.

Maar hoe hield je ze uit elkaar? Over welke Foppen hebben we het en over welke Petersen?


Daarom gebruikten de vissers bijnamen, niet om te schelden, maar om precies te kunnen zeggen wie werd bedoeld.

Als we het over vissers, visserij en werkgelegenheid hebben, moet niet alleen aan het vissen zelf worden gedacht. De vissersschepen moesten ook onderhouden worden. Daarom was er werk voor scheepstimmerlieden. Als de zeilen kapot gingen of als er nieuwe zeilen moesten worden aangeschaft, kwam de zeilmaker in beeld. En natuurlijk waren er de nettenbreiers en nettenboeters, mensen die nieuwe netten voor de vissers maakten en netten repareerden.

Daarmee zijn we er nog niet, want ook voor de taander was genoeg werk. Netten werden getaand, ofwel voorzien van een beschermend laagje om te voorkomen dat ze door het zoute water beschadigd werden.


Er waren daarom in Harderwijk taanderijen waar je een keer in de twee weken je netten liet tanen. Sommige vissers deden het zelf en taanden dan ook vaak tegelijkertijd hun zeilen, want die gingen daardoor ook langer mee. Dat deden ze met 'kesjoek', eigenlijk caoutchouc, een soort rubber.

Een keer per jaar moest het schip naar de werf om goed nagekeken te worden. Vlak bij molen De Hoop is nog steeds een scheepshelling te zien waar schepen op het droge werden getrokken. Soms werd de smid erbij geroepen om het ijzerwerk aan boord te repareren. Ook wat de vissers aan wal brachten zorgde voor werkgelegenheid.

Er waren garnalenpelsters, palingrokers en natuurlijk de visafslag, in de omgeving van het tegenwoordige stadhuis, waar de gevangen vis werd verkocht. Kortom, bij visserij komt heel wat meer kijken dan alleen een aantal vissersschepen op zee. Feitelijk bestaat er een complete industrie omheen. Dat wordt ook bedoeld in de eerste alinea van dit venster: de visserij zorgde voor veel werkgelegenheid. Topjaren waren 1890 met 130 en 1905 met 136 schepen. Het absolute hoogtepunt was 1915 met 162 geregistreerde vissersschepen. Naar schatting leefden aan het begin van de twintigste eeuw zo'n tweehonderd gezinnen van

de visserij.


Vissen was niet alleen een zwaar beroep, maar ook tamelijk gevaarlijk.

Bij het beeld van het vissersvrouwtje aan de haven is een plaquette bevestigd met veertig namen. Het zijn de namen van Harderwijker vissers die de afgelopen twee eeuwen op zee zijn omgekomen, soms al heel jong. Sommigen zijn bij stormweer overboord geslagen,

anderen verongelukten op de Zuiderzee.

De vissers 'in ruste' zaten vaak op de leugenbank aan de haven en vertelden sterke verhalen over hun belevenissen. Die leugenbank is inmiddels in ere hersteld, de oude Harderwiekers blijken nog steeds een rijke fantasie te hebben.


Bron: mijn Gelderland


De Harderwieker

De Vischpoort Harderwijk Haven van Harderwijk

In alle vissershavens langs de Zuiderzee en aan de kust vond je ze: de jutters of, zoals hier altijd werd gezegd:de sjouwenhaalders .

Vooral in de winter en herfst als de inkomsten van de visserij weinig opleverden was een sjouwtje altijd welkom omdat er nog wel eens een tientje of wat meer aan viel te verdienen.

Wanneer de kans zich voordeed was een ieder daar als de kippen bij. Vooral bij ons in Enkhuizen met het Enkhuizer Zand en zijn ruggen en geulen zat er nog wel eens één vast en ook aan de westkust van de geul. waar zich nu de sluis bevindt, zijn er heel wat vastgelopen die dan met behulp van de sjouwenhaalders weer werden vlot geholpen. Een ieder die de kans kreeg was daar dan bij, maar een vaste ploeg liep daar helemaal op. Speciaal herfst en wintertijd met zijn korte mistige dagen kon je ze nacht en dag vinden bij de keet op het Eiland, de jongens van Oene. van de Ram en van Balk die op het Eiland woonde en vanuit zijn huis een heel stuk van het Zand en geul kon overzien waren wel bij elke sjouw.


Vroeger werd dit werk meest met roeivletten en botters uitgeoefend, maar later werd het ook met motorvletten. die daar speciaal voor werden gebouwd, gedaan.

Ook Freek van Bruin of Freek van het bolletje genaamd, en een van het eerste een motor in zijn ijzeren aak had. was zeer bekend en berucht onder de schipperij.

Als er wat voor viel was er altijd de schipper van het vastgelopen schip die zo weinig mogelijk wilde betalen en de sjouwenhaalders die er zoveel mogelijk voor wilden zien te krijgen. Meestal was het wel verzekeringswerk en werd er een heel hoog bedrag gevraagd waar dan door de verzekering niet op werd ingegaan. Zo kon het wel gebeuren dat het een jaar of langer duurde voordat een sjouw werd afgemaakt.

Ook moest het. na lang onderhandelen met een verzekering in handen van een advocaat worden gegeven die, als er nog wat van kwam, met de centen ging strijken.

Zo had de sjouwploeg uit Enkhuizen een slechte naam bij schippers en verzekeringsmaatschappijen en ook wel eens terecht, omdat de bedragen die gevraagd werden voor een berging ook vaak veel te hoog waren.

Maar dit wil ik hier vooraf met de meeste nadruk vermelden, het waren geen brave jongens maar als de nood aan de man kwam gingen ze bij nacht en donker. storm en regen, ijs of mist. vaak met gevaar voor eigen leven en werd er niet gevraagd als er wat te verdienen viel.

Zo kon je ze dan vinden in de herfst en winter. als de dagen kort en mistig waren bij de muur of onder de keet kijkend over het water. doelloos.

Burgers vroegen dan wel eens: "wat zien jullie eigenlijk”?" "Niets" "Waar kijken jullie dan naar als er toch niets te zien is?" "Misschien komt er iets te zien".

Dan liepen de mensen maar weer door want dat begrepen ze niet. Zo waren ze er altijd, als de één eens even weg was werd zijn plaats zwijgend ingenomen door een ander.

's Morgens, 's middags, 's avonds en in de nacht, altijd waren er een paar te vinden. Vooral in de avond kon het wel gebeuren dat er 25 of 30 man stonden te praten. Dan kwamen de verhalen los: over een sjouw die ze gehaald hadden van de buitenkant van het Zand waar nooit wat van terecht was gekomen, van een dikke sjouw die op de Oostrug in het Gaatje zat en die zo vlot was en waar duizend gulden van kwam met twintig delen: "Ja, waar ik mijn portie van heb verkocht voor twintig gulden".

Van een kuster op het Vrouwezand die geen hulp wou aannemen en later door een bergingsmaatschappij is vlot gebracht en toen alleen nog goed was voor de sloop, terwijl wij hem zo vlot hadden gehad.

"Dat het toen ook een beste sjouw 'weest, dat ding met suker op het ruggie van Broekerhaven". "Ja, maar die een paar dagen later hier van de westkant was beter". .

En zo ging het door over de Dokkum 2 waar ze met tien graden vorst twee nachten en een dag op hadden gezeten zonder eten of drinken en geen cent aan hadden verdiend.

"Ja, nog een geluk dat er een hoop schapenwol aan boord was anders hadden we nog doodgevroren ook". "Weet je nog dat die sleepboot hier 's avonds op de blinde dam liep?" "Ja, die heeft er toen dagen gezeten maar is toch zelf weer vlot gekomen".

"Daar binnen we toen met een vlet naar toegegaan, vier uur roeien met een storm en een bries uit het zuid-westen en toen we bij die kerel waren mochten we niet eens aan boord".

"Die heeft er ook een week gezeten maar is er toch zelf afgekomen" .

"Ja, omdat er water kwam". Zo zijn er in de loop van de jaren heel wat schepen met behulp van de sjouwenhaalders vlotgebracht.

Er waren er die door roepen om hulp de aandacht trokken, door de vlag op te zetten of in de nacht door stakelen.

Anderen wilden pas geholpen worden na urenlang onderhandelen. Ook gebeurde het wel dat alle hulp geweigerd werd en dat ze een uur later toch de vlag opzetten.

Daar werd ook wel eens op loos alarm uitgevaren. Het is wel gebeurd dat men 's avonds op een mistige donkere avond met elkander onder de keet stond en dat er iemand op een gegeven moment zei: "Ik zie een licht : " "Waar zie je 'dat dan?" "Daar net langs de muur"

"Ik zie niks" "Je kan het duidelijk zien, zie jij dat dan niet?" "Ik zal barsten maar ik zie niks" Nou dan zal ik 't me wel verbeeld hebben" Maar de onrust zat erin en als dan even later weer iemand zei dat ie wat zag dan sprong alles meteen in de vletten en verliet de haven. En dan maar roeien, waar naar toe wist men zelf niet. Als men dan een half uur had geroeid en niets zag was de moed er wel uit en ging de één na de ander weer terug. Zo is er op geruchten en verbeelding vaak de hele nacht gevaren door een hele vloot wat niets opleverde. Want ook botters of aken gingen er wel uit als men dacht dat er ergens wat zat.

Als er overgeladen moest worden waren daar toch grote vaartuigen voor nodig.


Ook weet ik er wel van dat er 's avonds weer zo'n 30 of 40 man stond en dat er één op eens riep: "Daar zit er één aan de westkant, d'r is een rood licht". Alles de haven uit maar niks te vinden! Later bleek dat jongens met een rooie lantaarn naar het spoordammetje waren gelopen om zo alles de haven uit te lokken.

Van alle ondieptes van de Zuiderzee zijn vroeger door de Enkhuizers schepen vlotgebracht: het Vrouwezand, Kreupel, het Span, het Hop, de noord- en zuiddijk. Bij Broekerhaven, overal zat er wel eens een vast die dan door middel van lossing in vaartuigen weer werden vlot

gebracht.

Ook is mij eens verteld van een houten tjalkje dat op het Muiderzand zat en door de bemanning was verlaten, door enkele Enkhuizer botters is vlot gebracht en bij ons is binnengebracht.

Daar is trouwens geen cent van terechtgekomen; niet verzekerd en de kosten van de berging wogen niet op tegen de waarde van het scheepje en dat is toen maar gesloopt.

Het Enkhuizer Zand speelde in al die strandingen wel de grootste rol met zijn ruggen en geulen waarvan vooral het Volendammer Gaatje wel de schrik was voor alle binnenschippers.

Ook de geul bezuiden Enkhuizen was met slecht zicht moeilijk aan te doen en overal aan de westkant liep er bij na elke dag wel één vast.

Vooral de zeilschepen, als de wind zuidelijk was en ze van Marken kwamen en dan bang waren om de lager wal aan te doen en onwillekeurig wat hoog aanstuurden, kwamen vaak in het Gaatje terecht.

Als men de gasboei van de Trentel niet zag (het Zand was in die tijd nog weinig betond) hield men lang diepte en kwam men dwars van Enkhuizen, in het dichtlopen terecht en liep dan onherroepelijk vast op Knar of Oostrug. Het Gaatje is n.l. net een fuik die helemaal dicht loopt.

Vooral ook de Oostrug, aan de noordkant van het Enkhuizer Zand, was als de wind oostelijk was, voor de droge vaart van Staveren die dan wat hoog aanstuurde en Enkhuizen niet in zicht kreeg, een gevaarlijke plaats.

Alleen al uit het Krabbersgat zijn al heel wat schepen met behulp van een vlet in de haven gebracht. Met mooi weer werd er vaak door de binnenvaart in het gat geankerd en dat was met mooi weer ook een goede plaats. Maar als de wind zuidwest was en dan aanwakkerde tot hard of storm en de schepen met de vloed dwars in de zee kwamen te liggen, waren er heel wat schippers die de hulp van een vlet inriepen om met behulp van uitgezette ankers het schip in de haven te brengen.

Ook weet ik er nog wel van dat een tjalk met mars vlak bij het Hoofd is gezonken. De maïs is toen door vissers met schepnetten in vletten geschept en in het pakhuis van Balk opgeslagen.

Ook is daar jaren geleden in een oostersneeuwstorm een houten tjalkje, geladen met turf op de knar vastgelopen.

Een botter met een vlet hebben er, gewaarschuwd door de Urker boot, nog aan boord geweest maar de schipper, een oude man met zijn vrouw waren niet te bewegen van hun scheepje af te gaan.

's Morgens was het hele scheepje met bemanning verdwenen. Nog jaren staken met een oostenwind, als het water, laag was, de wrakstukken nog boven water uit.

Soms gebeurde het dat er in weken niets voorviel en ook wel dat er elke dag wel ergens iets vastzat. Maar hoe het ook liep, altijd werd er uitgekeken en elke avond kon je ze weer vinden bij de keet. Er kon er wel eens één verdwijnen voor een half uur om wat te eten, maar altijd waren er wat aanwezig en maar kijkend over het water waar niets was te zien. Pratend over sjouwen die geweest war en, de ene 'goed de ander slecht en ook waar nooit iets van terecht was gekomen.

"Het wordt nodig tijd dat er eens iets komt, het is al drie weken 'leden dat we die aan de westkant 'had hewwen".

"Hoor je daar nog wel eens wat van, ik wou dat ze hem maar afmaakten, ik kan wel een paar centen gebruiken" . "Ja, ik ook wel, maar daar moet toch wat van komen". "Wat willen ze geven?" ·"Vijfhonderd en we hewwe duizend 'vraagd". "Ze kunnen van mi] hem voor een honderd of zeven wel afmaken, dan is het nog wat. Als het op de lange baan gaat komt er niks van". "Ja, het is beter wat dan niks, hoeveel delen waren erbij?" "Dertig geloof ik, als er nog zeshonderd van komt hew je de man een paar tientjes, ik kon ze best gebruiken".

"Ja, dat kan een ieder wel"


"Ik denk dat ik naar huus gaan, het is nu aardig zichtig en je zien toch niks". "Ja, we kunnen het beter krijgen, hier sta je maar te blauwbekken voor niks" "Jullie komen hier toch weer terug?" "Ik kom er niet meer uut"

"Ja, ik hoor je dat zeggen" "Nou, daar gaat ie dan over de brug, ga je mee of niet?" "Nee, ik wacht nog effe" "Dat moet jij weten, maar ik ga over de brug".

Lang duurde afwezigheid meestal niet. Die eeuwige onrust die je het gevoel geeft dat er juist in jouw afwezigheid iets zou kunnen gebeuren dreef de meesten toch weer de straat op.

"Ben je er nu al weer?" "Ja, daar is zeker wat loos want aan de andre kant gaat er eentje de haven uut" "Wie gaat er uut?"

"Ik denk van de aak van Bruin" "Nou, dan moeten we er ook uut" "Gaan we met de botter van jullie Willum?"

"Ja, van mij wel maar we moeten eerst weten waar naar toe" "Dat zien wij wel waar hij naar toe gaat; die weet toch wat, anders ging ie niet weg" "Waar leg je?" "Veur de afslag, kom jullie maar met een vlet en kijk wat uut anders haal je 'er iedereen bij en hier zijn al opstappers genoeg"

"Daar gaat ie, hij gaat noord op" "Nou kom, dan gaan we ook zo gauw mogelijk. Daar komt

Cees aan, misschien weet die wel wat. Wat is er te doen?" "Daar moet er ien op de blinde dam bij de Tent zitten"

"Hoe weten ze dat?" "Misschien dat er 'belt' is" Zo gauw iedereen aan boord was werd er losgegooid. "Zet hem maar over de wind en hij sen dan maar dan zeilen we er wel uut" "Daar gaat een harde eb" "Ja, dat zal wel met die zuidelijke wind, maar het is mooi weer" "Hem zie je niet meer" "Nee, die is zo een stuk weg met de eb" "Wij kunnen bij het vuurtje de fok wel te loevert uut zetten, het is recht veur de wind"

"Erg zichtig is het toch niet, je kan de toren'[) nog niet zien" "Je ziet ook helemaal niks van de aak van Bruin" "Die is al veel te ver weg" "Het kan toch wezen dat hij een lantaarn op het" "Hij kan wel helemaal niet noord uut zijn ook, misschien is hij wel oosterover, wat weten we er iegelijk van waar dat ding moet zitten, als er wat zit" "Ja, we moeten maar zien, als er niks is dan kan je ankeren, met de eb kom je niet meer terug"

"Nu kan je de toren de loevert op zien, hij is nog rood" "Zien eens hoe diep als het is, als we genoeg buten’ t Hop zijn"

"Je hewwe water genoeg, de toren wordt nu wit ook" "Ja, je bent er zo al bij maar van een schip zie je niks" "Die kan je nog niet zien, als hij er is, want die zit stijf an" "Nu zie ik een lichie een stukkie af" "Dat kan dan wel van Cees zijn die nou zuud-over leit"

"Daar zie ik nu een helder vuur tegen de dijk an, dat zal dat van die kerel zijn" "Daar is in elk geval wat" "Laat er maar een man of vijf in de vlet gaan en roei d'r maar naar toe, dan gaan ik bij. Neem de fok maar in. Niet te veel in de vlet anders krijgt die vent meteen de schrik, hun zijn ook al aan boord. Nee, met z'n vijven"

"Het lijkt wel een groot ding" "In het donker lijkt alles groot" "Hij zit verrekte kort an" "Ga maar buuten hem om en dan achter langs" "Wat moeten jullie hier doen?" "Hetzelfde wat jullie hier doen, proberen om wat te verdienen!"

"Je kan gerust wel weer gaan, wij waren eerst en hij wil niks" "Wanneer is hij hier 'kommen?" "Om zes uur precies, met hoog water" "Hij zit van voren al flink 'boeid" "Ja hij zit met zijn kop op het hoofd""Als je er van voren wat uutgooide was hij zo weer vlot"

"Wat het ie in?" "Haver in balen en hij is goed verzekerd maar hij wil niet, hij wil zelf proberen om morgenochtend met hoog water weer los te komen"

"Waar is die vent?" "Die zie je niet, die zit in de roef" "Dan zal ik nog eens een keer met hem praten, hier kan je ook niet blijven staan, het is verrekt koud ook" "Probeer het maar eens, ik geloof niet dat hij er uut komt"


"Ben je er in schipper ?" "Ja, waar zou ik anders wezen, wat moet je" "Ik moet niks, ik vraag je alleen: wat wil je nou?" "Wat ik wil, dat heb ik jullie al verteld, ik kom er zelf wel af" "Man, je ben tegen je eige, als de wind wat aanwakkert verspeel je hier je schip, hier zijn er al meer weggeraakt. Je bent immers verzekerd, het heeft je geen cent te kosten"

"Dat gaat jullie allemaal niks an wat ik doe" "Dat je wilt niet? Dan gaan we weg en denk maar niet dat we dan terugkomen" "Dat moet jullie weten, ik zal er niet om roepen"

"Dat zeg je wel maar je kan nog wel eens anders praten" "Wij kunnen wel gaan, hij wil nergens van weten, laten we maar zien dat we aan boord komen. Zie je ze nog?" "Ja, dat bovenste lichie dat is hem, dat daar beneden is van de aak van Bruin" "Stap in, dan gaan we" Weer terug bij de botter: "Niks aan te verdienen?" "Nee, hij wil niet"

"Wat is het voor een ding?" "Een mater van 180 ton, haver het hij in. Hij wil zien dat hij morgenochtend met hoog water vlot komt" "Dat kan wel eens tegenvallen, de wind is zuilijk en hij wakkert dat veel water zal er niet komen"

"Wat moeten wij nou?" "Ik wou maar omkeren, je moet een stuk zeilen naar de haven, d'r gaat nog eb ook en morgenochtend ga je er toch weer naar toe, als hij niet weg is en dan haal je iedereen er nog naar toe ook" "Ja man, die zullen evengoed wel komen"

"Nou vooruit dan maar, maak het anker maar klaar, dan gaan we een stukkie af maar te anker" "Ik zal hem op de wind gooien en vallen dan maar en 't zeil maar zakken" "Daar leit ie dan, de kachel brandt maar te eten is er niks. Een koppie kunnen we zetten"

"Dan zullen we een bakkie doen en dan maar preberen een tukkie te doen, anders zit er niet op" "Ik zou best een stukkie brood ook lusten, ik hew van zeven uur nog niks 'had"

"Ja, ik ook wel maar ik hew geen pruimtabak ook meer, dat is erger" "Je zal op een houtje moeten bijten, wie weet wanneer je weer wat krijgt"

"Ze zullen bij Cees ook wel niks aan boord hewwe, die leit hier achter ons" "Het zal daar wel net wezen als hier, ook niks" "Hoeveel man zijn er eigenlijk aan boord?"

"Wij zijn. met z'n twaalven en bij hem ook zo wat, denk ik" "Het zou een mooi sjouwtje wezen, niet zo veel delen" "Jij bent zeker al aan 't delen, daar zal wel weer niks van komen" . "Ik hewer nog wel moed op dat we er nog een dertig gulden van schoven" "Ik zou mijn portie vast maar verkopen want je hewwe nog niks" "We moesten voorlopig maar een zachte plank uitzoeken" "Als 't kan moeten we zien dat de kachel aan blijft anders overleven we dit niet" "Daar zal ik wel voor zorgen".

En zo probeerde een ieder het zich een beetje gemakkelijk te maken, op de bank of op de laningen, een ieder hopend dat er in de komende morgen wat was te verdienen.

Nu, in dit geval nog in een vooronder bij de kachel, maar het is vaak voorgekomen dat men de nacht door moest brengen in een open vlet of aan boord van een schip, de hele lange winterse nacht buiten op het dek.

"Hoe laat is het?" "Half zes" "Hew je al buten 'keken?" "Ja, hij zit er nog, het is ook nog geen hoog water" "Hoe is het weer?"  Het is stilder dan 't weest het en weer aardig dik.

We moeten over een uur maar weer eens bij hem aan boord zien, als hij er tenminste niet afkomt" "Ik zal water opzetten voor koffie" "Ik wou dat je maar een stuk brood voor me had, ik rammel van de honger" "Ja; ik ook, maar dat moet je er maar bij denken" "Als het straks dag wordt moeten we een paar man aan de wal zetten om een paar broden te halen, het kon anders wel avond worden voor we wat te eten krijgen" "Een bakker is hier direct ook niet dichtbij, dat is een stuk lopen" "Nou ja, dan lopen ze maar een eindje" "Het begint te dagen, we moesten maar eens bij hem kijken als hij nou wat wil, anders gaan we naar huis" "Dat ben je ook zo maar niet, dan zal je toch wachten moeten dat de vloed begint" "Zet het zeil eerst maar op en dan kunnen we wel lichten, dan zeilen we hem door de wind en over de andere kant zeilen we er zo tegenaan" "Stap jullie maar in de vlet, ik ga zo weer door de wind en dan gooi ik jullie los" "Ze zijn van Cees van Bruin ook al bij hem aan boord"

"Nou los maar, het zal me benieuwen als hij nu een beetje toeschietelijker is en hulp aanneemt" "Jullie doen je best maar".


Bij het gestrande schip aan boord: "Zo, zij n jullie daar ook weer? " "Ja, dat zie je, mag dat dan niet" "Jawel, als je maar weet dat wij eerst zijn" "Wil hij nu dan wat? " "Nog niet, hij bepraat het nu met zijn vrouw" "Daar komt hij an. Nu, wat wil je doen?" "Ik moet hier vandaan en wil het met jullie wel proberen.

Hoe denken jullie dat te doen, hoe moet dat geregeld worden?" "Wij brengen je vlot en in de haven, dan maak jij een verklaring op hoe je hier bent gekomen en dat je zelf geprobeerd hebt om eraf te komen maar dat het je niet is gelukt.

Die verklaring onderteken je en de rest maken wij met de verzekering wel uit, het hoeft je geen cent te kosten" "Nou vooruit dan maar, ik zal het met jullie wagen" "Ja, het komt allemaal wel goed. We komen aan elke kant met een vaartuig langszij en lossen wat over, maak jij je luiken maar open" "Daar is nog geen haast bij, het water valt nu toch nog weg" "Ja, .maar nu is het nog mooi weer en het is winterdag, het kan zo verslechteren"

"Daar staat het nu nog niet naar, maar kom jullie maar langszij, dan zal ik de boel klaar maken".

Nadat de vlet weer door de botter was opgepikt vroeg men daar aan boord: "Wil hij wat?"

"Ja, we hewwen 'em. We moeten bij em opzij komen dan zullen we wat overnemen"

"Alle twee?" "Ja, daar is eigelijk geen woord voorvallen" "Laten we dan maar zien dat we bij hem aan boord schieten, Cees gaat er ook op toe" "Als hij nou buitenop gaat, dan moeten wij achter dat ding om met wat gang zo aan de binnenkant opzij schieten" "Als ze maar effe een eindje touw vastzetten dan halen wij hem zo vooruit" "Het is gelukkig dat het opperwal is schipper, anders konden wij hier nooit zo bij je aan boord leggen: " "Ja, maar daar is nog wel eens een geluk bij een ongeluk.

Ik ben effen te westelijk instuurd en heb nooit wat zien, wel uitsteken maar hier staat water zat" "Ja, diepte is hier wel maar de blinde hoofden steken een heel stuk uut : "

"Hoe zwaar zijn die balen?" "Honderd pond. Moeten we ze hijsen of geef jullie ze zo over?"

"We zijn met volk genoeg, we geven zo wel over, dan gaat het over twee kanten" "Ik dacht, als we er de man eens honderd uithaalden, dat

je dan wel vlot kwam" "Je moet er achteruut af, hew je nog een lier achterop staan dan kunnen we achter nog een anker uitzetten ook, maar laten we eerst maar de man een honderd balen overnemen, dan kunnen wij wel verder zien" "Denk jullie er om dat je ze droog houd, ze mogen niet nat worden" "Ja, we zullen er wat onder leggen"

Na een tijdje zwoegen: "Hoeveel hew jullie er al?" "Een zestig denk ik" "Ik zal blij zijn als ze er uit zijn, mijn tong hangt me nu al op m'n klompen" "Ja, ze worden steeds zwaarder, ze moeten steeds dieper weg komen en dat met een lege maag, dat valt niet mee" "Was er bij jullie ook niks te eten?" "Nee, voor geen rat" "Bij ons ook niet, ik rammel van de honger"

"Als er honderd balen uit zijn zullen we eerst een paar man aan de wal zetten om wat brood te halen". "Wij hebben er nu ieder honderd balen uit, schipper, en zullen nu maar wachten dat de vloed begint. Zo veel zit je nu niet meer boeid, als er wat water komt drijf je er zo af. Het is nu twaalf uur en met een uur begint de vloed. Als het niet wil kunnen we altijd nog wat overnemen" "Wie gaat er nu naar de wal om eten? we moeten toch wat zien te krijgen"

"Ga jij ook mee Cees, een paar man is genoeg maar neem voor mij een baal pruimtabak mee" "Wij zullen wel zien wat we kunnen krijgen" "Ja, doe je best! "


De achterblijvers maken nog wat dingen in orde: "Laten we achter nog een anker uitzetten en dan maar wachten dat de vloed begint. Heb je een lange draad, schipper! "

"Ja, ik zal er een geven" "Zet dat anker maar een beetje huibers zee in" "Laten wij die draad maar stijf draaien en dan maar afwachten dat de vloed doorkomt. Wie zet er wat water voor koffie, als hun dan wat opdoen kunnen we wat eten" "Wie weet wanneer die terug komen, die zullen wel een stuk moeten lopen" "Misschien dat ze wel een fiets zien te krijgen"

"Ik denk dat de vloed begint door te komen" "Ja. aan het water te zien wel. dan moeten we zo maar eens proberen" "Daar hew je ze op de dijk en ze hewwen wat bij hun" "Laten we ze dan eerst maar ophalen voor we proberen als hij er af wil schieten"

"Hew jullie wat?" "Ja brood en butter en een worst, we troffen dat nogal. daar was net een bakker aan dit eind. Van een boer hewwen we een worst en butter 'kregen" "En hew je geen tabek?" "Ja. ook een half pakkie. dat kregen we van een man die daar liep" "Snij dan maar gauw wat brood, hoeveel hew jullie er?" "Zes broden. voor de man drie".


Inmiddels lijkt het water zover gekomen dat een poging gedaan zal worden om het motorschip vlot te krijgen: "Schipper. laat jij je moter' draaien dan zullen we eens

proberen. het water is al op 'kommen" "Moeten jullie eerst niet eten?" "Nee. laten we eerst proberen. het is zo weer donker en dan hadden we liefst alles weer over".

"Een man of vier aan de lier en schipper. jij ook achteruit draaien" "Hij doet nog niks: "

"Wacht dan nog maar een kwartier" En na een tijdje: "Laten we nog eens proberen anders moeten we er nog maar wat uitgooien"

"Volaan achteruit, schipper en jullie die draad stijf houwen! ""Ja, hij is gaan, niet veul, een halve meter denk ik" "Draai maar weer stijf, als hij begint te komen doet hij wel meer" "Hij doet weer niks" "Effe wachten dan maar" "Nou nog eens proberen. Achteruit en stijf draaien" "Hij komt. Nog effe" "Hij is vlot! " "Dat is nog niet zo slecht verlopen" "Nu, het kon minder.


De vaartuigen van boord en zien in de haven te komen" "Dat duurt niet zo lang, de wind is nogal westelijk, het vuurtje is wel te bezeilen en we hewwe nog vloed ook" "Ja, anders kwamen we het gat niet in" "Laten we dat anker maar met de vlet zien te lichten" "Als je dat er uit krijgt met een vlet, we kunnen hem beter voorop nemen en het er met de ankerlier uitdraaien" "Dan moet je het eind voorop brengen maar zijn kont moet naar buiten toe anders slaat hij weer naar de krib toe" "Hij ligt nu recht op het tij, als de schipper nu wat vooruit

draait halen we zo de losse draad in. Als hij op en neer komt gooi dan maar vast, dan spat het anker er wel uit" "Het is er uit! " "Zo jongens, dat zit er zowat weer op, als er nu maar wat van komt, dan is dat weer binnen" "Hier komt wel wat van, het is een goeie verzekering, het spul is goed en, een goeie lading"


En zo was iedereen in z'n eigen al aan het rekenen wat het voor zijn part kon delen. Maar voor er wat was te schoven, moest er nog wel wat onderhandeld worden.

De meeste verzekerings dokten niet zo vlot veelal ook al omdat het gevraagde bedrag altijd hoog was. Maar als er dan een sjouw was afgemaakt en dan veelal bij van Lijen of van der Zee werd verdeeld was iedereen er gauw bij om zijn deel te ontvangen als welkome aanvulling van de, vooral in de winter, schrale verdienste uit de visserij.

Maar veel of weinig, 's avonds en in de nacht kon je ze weer vinden: aan de muur of bij de keet. De jongens van Oene. van Balk, de Ram, Klaas Stip en zoveel anderen' met de vele opstappers, klaar om bij 'het eerste gerucht van een sjouw weer uit te varen en te proberen er wat aan te verdienen:


Vaak zijn de' sjouwenhaalders van Enkhuizen uitgemaakt voor rovers en jutters en het waren ook geen heilige boontjes maar als de nood aan de man 'was gingen ze, ook al was er niets aan te verdienen.

Zo is het in een winter gebeurd dat door een Enkhuizer visser een verbinding tot stand gebracht is met een Urker botter die in het ijs bekneld zat.

Dat moest gebeuren, kruipende over een paar planken die hij steeds weer over het drijfijs voor zich uit moest schuiven. Zo is een touw op de botter gebracht en die is toen door een grote ploeg mensen de haven ingetrokken.

Tegenwoordig behoort het sjouwenhalen vrijwel tot het verleden. De binnenschepen zijn uitgerust met sterke motoren en radar en ook de betonning en verlichting is de laatste jaren belangrijk uitgebreid.

Alleen in de zomer raakt er nog wel eens een pleziervaarder uit de juiste koers. Ook door de betere uitkomsten van de visserij wordt daar door de visserij niet zo'n werk

van gemaakt en is dat veelal werk van de reddingboot die in deze veel goed werk verricht.

Enkhuizen heeft, met rondom al zijn ondieptes, wel de belangrijkste rol gespeeld in het sjouwenhalen maar ook Urk met zijn Vormt, Lemmer met de Steile Bank en Staveren met zijn Vrouwezand, speelden daar toch ook wel een rol in mee.

Zo behoort het sjouwenhalen, helaas of gelukkig, ook tot het verleden. Gelukkig, omdat het eigenlijk altijd loeren is op een ander zijn ongeluk. Helaas, omdat het aan de havens toch altijd een soort spanning gaf.


Bron: Jouke Volgers


De Sjouwhaalders Sjouwhaalders

De zeemuur in Enkhuizen Vooronder van een Wieringereek

Het gebeurde in het jaar 1926 toen we op haring en ansjoop visten bij Aaike Broer op de EH 10. 't Was 1 juni en broeierig weer.

We schoten de ansjovisnetten bij de Vuurtoren en omdat de ansjoop wel eens kort bij die stenen kwam en je ze daar dan zo dik vangen kon, schoten we de netten met twee lagen in de dijk.

Met 't eerste stelletje schoten we uit de dijk, maar bij 't tweede zo op de dijk toe. Maar dan weet je niet wat in broei zit, want als 't dan verkeerd wil zit je met een op de dijk.

Maar we troffen 't, we waren d'r net van af en daar kwam die, uut de zuudoosten en waaien voor momenten! We zeilden nog van top maar die bui gaf zo allemachtig veel wind dat de fok d'r af moest. Nu waren er toentertijd ook veel zeeuwse mosselevissers in de weer daar in de buurt.

Dat waren toen meestal van die hengsten en hoogaarzen. Soms kwamen ze nog op de zeilen maar er waren er toen ook al, vooral de grotere, die er een motor in hadden, dan konden ze gauwer over en weer en konden ook met stilte vissen.


Dat toen we de fok neergehaald hadden stond ik op de plecht en kon een paar van die mosselevissers zien en ik roep "Dat gaat niet goed daar met die Zeelander deer! " Ik zag al dat er damp achter uit die motorkast kwam bij em, dat die motor stond al in 't water.

Toen was er al zoveel wind dat wij op em toe met het kale zeil. De vlet daar wij die netten in haalden, daar ging twee man in, want we zagen al dat er zat er één op een plank en één zwom. Eerst probeerden ze op de kop te komen, want daar zat nog lucht in, maar ja, die ging vanzelf ook onder.

Dat ik bleef met Aaike Broer in de botter en zullie, dat waren m'n broer Jan (Edelenbosch) en Klaas van Kuik, gingen in de vlet.

Met de botter gingen we achter die kerel die zwom aan, want er liep eb en hij ging steeds noorduut. Ik tegen Aaike: "Ik zal een end touw klaarmaken, rond geslagen en als je tegen 'm an binne moet je' m direct op de wind gooien dat de vaart er uut is! "

Dat tegen dat ie bij 'm was zeg ik: "Zie dat je ‘m op de wind krijgen, gooi' m bij! "


Dat hij gooide 'm bij en ik gooide "m krek dat touw in z'n hand. Het andere end stond op de dol dat al was ie nou nog zo zwaar, dat zat wel goed vast.

Toen de botter bij lag konden we 'm met dat touw naar ons toehalen. Nou hadden we in de regel een gummiband met een end touwer an van achter op de stuit hangen. Dat was als de vlet aan boord most om 't stoten tegen te gaan.

Dat toen die kerel aan boord moest, kon ie z'n poot in die band steken en pakten wij 'm bij de rug en hebben' m overend gehaald. Hij is toen omlaag verdaagd en was meteen van de kaart, dat we waren net op tijd geweest.

De schipper en nog één zaten op een plank, die zijn door de vlet opgepikt en waren er beter aan toe. Effe daar na. toen we ze goed en wel hadden was ' t net zo blak, ja. dat is broei.

We zijn toen met di e Zeelanders in de haven verdaagd en later hebben ze 'rn gelicht die hengst. 't was de Y.E.9 (Yerseke).

Aaike Broer het nog op Andijk gelopen voor collecte voor die mensen. Kees Visser, ze noemden' m de Ram. die heeft ook nog geholpen.

Dat heeft toen nog wel een honderd gulden of zeven. acht opgeleverd die week. Dat hewwen die mensen toen met z'n drieën gedeeld.

In die zelfde bui is er in 't Wagenpad nog zo'n mosselevisser 'bleven, die ben allemaal verdronken.


Je hebbe nou gezien wat broei is, zo is 't blak en zo heb je een brok wind. Denk er om. als je op 't water benne en 't is broeierig, zorg dat je je fok zó naar beneden kan donderen. '

Weet je wat wij nog veur hadden op die botters hier? Wij konden onze fok weghalen, dus dan haalde je al een heel stuk zeil weg.

We hadden een binnen- en een nokkeval. Als je nu het nokkeval los maakte' viel de nok van de gaffel naar beneden en hield je een driehoekig stukje zeil over. Om te voorkomen dat die gaffel ging slaan zat er een riegsel aan. Dat waren twee lijntjes van de nok van de gaffel en die liepen door een oogje op de helft, of ietsje hoger, van het voorlijk naar beneden. Daarmee trok je dan de gaffel tegen de mast aan.

Dat was ook erg gemakkelijk met het schieten van de netten als er te veel wind was.


Ik heb dus verteld dat we die teelt bij Aaike Broer visten, nu, dat was ook een mens apart.

Hij was niet getrouwd. dat hij woonde op z'n botter. "t Was een goed visserman, fel en toch sekuur, z’n grootste fout was dat ie ontzettend dronk en dat was feitelijk jammer.

Ook was ie mank en ze zeiden wel eens tegen, ons "Ben jullie niet bang als ie jullie op moet pikken met de vlet?" Maar nee hoor, hij was sekuur genoeg.


Vóór de botter heeft ie nog een jol gehad want hij heeft ook nog op Andijk gevist en was toen bij z'n broer in de kost, m'n broer Jan heeft als jongen ook nog bij 'm gevaren daar.

De botter die hij in '24 of '25 kreeg, kwam van Huizen af, d'r stond nog een Huizer nummer in 't zeil maar het laatst had hij voor plezier gevaren. Nu had ie zelf nooit een cent omhanden, alles ging in de drank, maar hij had hele goeie familie in Hoogkarspel wonen en die hebben hem toen aan dat bottertje geholpen.

Die mensen hadden vroeger ook om ansjoop gevist maar waren in de bouw verdaagd en voor hullie eige begonnen. Wanneer we averij hadden dan kwamen die lui om te boeten en op te steken, want dat konden ze allemaal en ze lieten 'm evengoed niet in de steek.

Afijn, dat bottertje moest een beetje veranderd worden voor de visserij en toen het klaar was ging Aaike het halen.

Toen hij naar Amsterdam, en te drinken! Hij had de centen in z'n zak, maar die raakten ook al gauw op. Dat hij zegt tegen die hellingbaas: "Nou, let 'm maar zakken".

"Ja", zegt die kerel" maar ik wil eerst wel eens centen zien", want die had vanzelf wel deur dat ie almaar een stuk in z'n kraag had.

Toen moest ie weer naar z'n familie om centen, maar ze hielpen 'm altoos.

Met de ansjoop was 't gewoonte dat als je 's morgens binnenkwam, den moest je bij de afslag opgeven hoeveel je gevangen had. In de regel ging Aaike' naar de afslag maar dan kwam ie nooit meer terug, want dan ging ie zitten zupen.

Toen op 't lest zei m'n broer en Klaas: "Zeg Cor, ga jij in 't vervolg die ansjoop maar opgeven want hem zien we nooit weer terug! "

Dat jaar was 't in 't begin van 't haringvissen ook slecht en toen lagen we in Medemblik en hadden geen van allen een stuver in onze zak, de schipper noch wij. Dat Aaike  zegt, hij praatte altijd zo boers: "Nou, ik gè wel effe nèr Krèmmer", dat was zo'n boertje die daar was met butter en kees, "en dan zal ik tegen' m zeggen: Man ik lig in de haven en dèr hew ik gien cent in m'n zak".

Dat Aaike naar Kramer en jawel, hij kon wel een briefje van vijf van 'm krijgen. Toen hij terug kwam was 't eerste: "We zullen eerst eens een glaasje bier kopen en dan hebben jullie ook een knaak met z'n drieën". Dat zo deden we, maar toen we weer op zouden stappen en hij z’n portie zou betalen had ie in plaats van een heel, een half briefje in z'n zak, daar zat ie. Ik zeg: "Nou, dat is niks, want dan betalen wij dat wel van die knaak van ons". je kon daar dan wel niet van raak zupen maar een paar glaasjes bier, dat ging nog wel.


De volgende ochtend zegt Aaike: "lk zal eerst is effe naar die kerel toe om te zeggen dat ik een half briefje 'had hew" "Jawel" zei Kramer "dat kan kloppen want we hadden een stukkendig briefje van vijf" en toen kreeg ie een heel! En zo was ie altijd met geld. Soms lagen er van die rekenings in de botter en dan zeiden wij tegen elkaar: "Potverdomme, wat zit die kerel toch in de schulden", hij gaf er niks om.

Hij heeft ook nog een poos in de Oosterhaven gelegen met dat bottertje. Naderhand is ie bij een neef op Andijk in huis gekomen en daar is ie overleden.


verteld door Cor Edelenbosch

De Redding Sjouwhaalders

Het kerkhof tussen Urk en Schokland Een volksverhaal over een verzonken dorp in de Zuiderzee

Tussen Urk en Schokland ligt een kerkhof. Diep onder de golven bedolven liggen er de grijze grafstenen en bedekken er de lang geleden

gestorvenen. Het is zaak voor de vissers hier op te passen. Gooi er de netten niet uit want in plaats van vis komen er stenen in. Stukgescheurd haalt de visser het net binnenboord. Het is een straf voor vroegere begane zonden. Niets wordt vergeten. Alles moet zijn beloop hebben.

Zo is het ook met Nagele gegaan. Nu is er een kerkhof, diep onder het zeeoppervlak, ja, maar vroeger was het anders. Toen bloeide daar een dorp, misschien wel een stad. Zijn er niet de ruïnes van over? Gebeurt het niet, bij laag water, dat er brokstukken van muren te zien komen en hoeken van torenfundamenten en is er niet de kruisvorm van een kerk te onderkennen? Worden er geen grafzerken opgevist? Ja, zeker, dat alles is zo.

Het kerkhof tussen Urk en Schokland. Menig visser heeft het gezien en schuw heeft hij er met zijn zoon of zijn knecht over gesproken. "Zie,

daar is Nagele, het kerkhof. Vroeger was er een stad, nu golft er de zee. Laten we maken, dat we wegkomen. Het is niet goed hier te vissen.

De netten lopen maar vast en als we ze ophalen scheuren ze stuk." Schuw wenden ze het roer en zeilen heen: weg van Nagele.


Nagele is een duistere plaats. Nagele brengt geen geluk. En als de jongen later, wanneer de schipper een gemoedelijke bui heeft vraagt,

wat er dan eigenlijk met Nagele is dan kan het gebeuren dat het vertelsel los komt. En zeker zal de jongen rillen als hij hoort van die vechtende mannen, heel lang geleden, in die herberg op Emelerwaard.

Er was gedronken, natuurlijk, veel gedronken en toen waren er ruwe boze woorden geweest. De hete woede grolde tegen de bruinbesmookte zoldering. De messen vlogen uit de schede en de twee razende mannen gingen elkaar te lijf. Het was verschrikkelijk te zien, die vechtende robuuste mannen. De messen flikkerden in hun rode ruigbehaarde handen en moordlust brandde in hun ogen.


Maar toen kwam de pastoor binnen. De zielenherder die gewaarschuwd was dat het niet goed ging in de herberg. Subiet had de eerwaarde

vader zijn soutane aangeschoten en was naar de herberg gesneld om de vechtenden te scheiden en erger te voorkomen. Waarschuwend

hief de priester de lange, witte handen omhoog en dringend manend klonk zijn klare stem boven het vechtrumoer uit: "Geen moord en

doodslag om Godswil, geen moord en doodslag. Laat af van het mes.

Zonde is het, zonde. De mens mag niet moorden!" Maar de goede vader kon niet uitspreken.

Een der vechtenden, door het dolle heen omdat men tussenbeide komen dorst, vloog op de priester af en doorboorde hem met het

vlijmscherpe mes het hart. De pastoor zonk ter aarde, maar voor hij de geest gaf, riep hij met grote stem dat Nagele zou vergaan.

Dat de zee deze onzalige plaats verzwelgen zou en dat de vissers die er zouden komen vissen hun netten aan de stenen zouden stukscheuren. Toen stierf de pastoor.

En de voorzegging is uitgekomen. De straf is op de zonde gevolgd. Het water kwam en heeft Nagele verwoest zoals het al zoveel vernietigd

heeft. Sinds eeuwen bruisen er de golven en soms bij heel laag tij kan men de resten muur nog onder water zien. Ook is het gebeurd dat

verdwaalde vissers een doopvont in hun net ophaalden of een zerk

Ja, Nagele is een duistere plaats.


Bron: Volksverhalen Almanak

Nagele

Het verhaal begint in Durgerdam, een vissersplaatsje even ten noorden van Amsterdam, aan de Zuiderzeekust. Daar woonde de visser Klaas Bording met zijn gezin, waaronder twee zoons van resp. 19 en 17 jaar,

Klaas en Jacob genaamd. De winter van 1849 was zeer streng, de Zuiderzee was voor een deel dichtgevroren. Dat gaf de vissers uit Durgerdam en ook uit andere vissersplaatsen de gelegenheid een bijzondere vorm van visserij uit te oefenen, n.l. het "botkloppen". Wat

is "botkloppen"? In het kort komt het hier op neer, dat de visser met een slee, waarop een aantal netten, palen, een bijl en een zware houten balk, het ijs op gaat. Op een zekere afstand uit de kust wordt een bijt van ongeveer 2 bij 2 meter in het ijs gehakt en daaromheen

vier kleinere bijten. Met behulp van de lange palen worden de netten onder het ijs gespannen. Dan neemt de visser de zware houten balk, ruim een meter lang, zet zijn voet tegen het ene einde en trekt met een touw het andere einde omhoog. Vervolgens laat hij de paal op het ijs vallen. Dat geeft een enorme dreun. Dit herhaalt hij een aantal malen.


Daardoor worden de botten, platvissen die op de bodem van de zee rusten opgeschrikt en zij zwemmen alle kanten op en komen daardoor in de onder het ijs gespannen netten. Wanneer de visser het geluk heeft een plaats te treffen, waar veel botten verzameld zijn, kan hij een behoorlijk aantal vangen. Zo gaat op zaterdag de dertiende januari van het laar 1849 visser Jacob Bording met zijn beide zonen ook het ijs op om te gaan botkloppen. Zij hebben die morgen nog vis verkocht in Amsterdam en zijn dus vrij laat op de dag de Zuiderzee opgegaan. De plekken die het dichtst bij de kust liggen zijn al door andere vissers ingenomen, waardoor zij gedwongen zijn verder het ijs op te gaan.


Maar na enige tijd besluiten ze een poging tot visvangst te wagen. Er is snel een bijt gehakt, de netten worden gespannen en even later klinkt het dreunen van de klopbalk tot in de verre omtrek. Als ze enige tijd later het net ophalen, blijken ze een goede vangst gedaan te hebben.

Daarom besluiten ze nogmaals een eind verderop de netten uit te zetten. Het wordt al later op de dag en de schemering begint al in te vallen. Het weer is slecht geworden. Na weken van strenge vorst is de dooi ingevallen en harde wind en regenstriemen teisteren de drie

vissers. Maar de goede vangst verzoet veel. Na korte tijd hebben ze al 750 vissen gevangen. Dat brengt hen ertoe het nog eens te proberen.


Hoewel het eigenlijk al te donker wordt en de overige vissers al lang huiswaarts gekeerd zijn. Maar als ze dan weer een grote bijt en vier kleinere bijten gehakt hebben en met een lange stok de netten vast in de grond willen zetten, bemerken ze tot hun schrik, dat de stok over de bodem sleept. Dat kan maar één ding betekenen: het ijs is gaan drijven.

Ze laden snel hun spullen op de slee en haasten zich naar de vaste wal, naar huis, maar wat ze al vreesden, blijkt waarheid te zijn: de grote ijsvlakte van de Zuiderzee is door de dooi en de wind losgeraakt van de oever en er gaapt een brede kloof van water tussen de drie vissers en de vaste wal. Het is onmogelijk om hier nog van het ijs af te komen.

Misschien lukt het ergens anders nog. Ze keren de slee en haasten zich door de donkere nacht naar het zuiden. Maar bij Naarden, bij Huizen, overal grijnst het donkere water hen toe. De uitgestrekte ijsvloer is inmiddels ook begonnen te scheuren en overal ontstaan enorme ijsschotsen. Het is onmogelijk nog ergens de vaste oever te bereiken.


En dan begint voor de drie vissers een zwerftocht over de Zuiderzee, die veertien volle dagen zal duren. Onvoorstelbare ontberingen hebben de drie mannen op de ijsschots geleden. Dan weer ijskoude regens, dan weer dichte mist, soms afgewisseld met een dag met heldere zonneschijn. Wisselende winden drijven de schotsen dan weer naar het noorden, dan naar het oosten of zuiden en soms in de richting van de Waddenzee en de Noordzee. De schotsen glijden over elkaar, tegen elkaar aan en breken af. De Bordings zijn gedwongen een paar maal op een grotere schots over te stappen.

Het water, dat over de schots heen golft, doet hen verstijven van de

kou, hun voeten zijn opgezet door het water, ze kunnen de klompen

niet meer uitkrijgen. Honger en dorst doen een aanslag op hun

uithoudingsvermogen. Ze vangen regenwater op in een stukje zeildoek,

ze eten rauwe botten. Om hun slee lichter te maken, hebben ze bijna

de gehele vangst en een aantal gereedschappen, zoals botbalk en bijl,

al in het water laten glijden. Op zeker moment wil ook vader Bording

een eind aan de beproeving maken door zich van de schots te laten

glijden. Met de grootste moeite kunnen de zoons hem van dit plan

weerhouden. Soms schijnt de redding nabij. Een week na het begin

van de dwaaltocht, op een zondagmorgen, drijven ze zo dicht langs de

kust van Enkhuizen, dat ze op de torenklok de tijd kunnen aflezen en

honden horen blaffen en de kerkgangers langs de kade op weg naar de kerk kunnen zien gaan. Hun wanhopig geroep wordt echter niet

gehoord en even later doet een lichte draaiing van de wind hun ijsschots weer wegdrijven van Enkhuizen. Enkele dagen later, in de buurt van Schokland, zien ze in de verte een tjalk voortploeteren tussen de schotsen. Ze drijven er op af en schreeuwen uit alle macht, maar

tevergeefs. Schipper Otten uit Zwartsluis merkt hen niet op en de tjalk verdwijnt in de verte.


De Durgerdammer vissers

Klaas Bording en zijn twee zonen



Reconstructie van de route die de Durgerdammers, drijvend op een ijsschots, in 14 dagen aflegden over de Zuiderzee

Inmiddels was er in Durgerdam meteen een zoekactie naar de vermiste vissers op touw gezet. Visser Pauw had een aantal dorpsgenoten

bereid gevonden met hem uit te varen om te gaan zoeken. Maar al na korte tijd moesten ze terugkeren. De dichte mist en de zware ijsgang verhinderden de poging de verdwenen Bordings te vinden. Het verhaal van de vermiste vissers was ondertussen via de kranten door het hele land bekend geworden. Dat leverde soms ontroerende reacties op. Zo ontving vrouw Bording een brief uit Amsterdam van twee kinderen, die hun spaarpot geleegd hadden en de inhoud, verdubbeld door hun vader en groot tien gulden, in de brief bijgesloten hadden. Alom had men deernis met de arme vrouw, die men inmiddels al weduwe waande.

Immers, wie zou de barre tocht op een ijsschots kunnen overleven?


Vollenhove

In Vollenhove zag men ondertussen met verlangen uit naar het einde van de winter. De visserij lag stil en er heerste bittere armoede in het

stadje. Elke dag trokken de vissers wel even naar de zeekant om te zien of het al mogelijk was uit te varen. Op zekere dag zagen enkele

vissers, die naar huis terugkeerden, op het Kerkplein een groep meeuwen opvliegen. Een van de vogels liet uit zijn snavel een haring vallen. Dat betekende, dat er ergens op de Zuiderzee al voldoende open water was, waardoor de meeuwen een haring konden vangen.

Twee vissers, Klaas Edelenbos en Gerrit Visser, besluiten de volgende dag een poging te wagen ergens open water te vinden om hun netten uit te zetten. Op zaterdagmorgen 27 januari varen twee scheepjes uit de haven, bemand door respectievelijk Klaas Edelenbos en zijn knecht Gerrit Kroes, en Gerrit Visser met zijn knecht Frederik Kroes. Ze vinden in de buurt van Blokzijl inderdaad enig open water, maar als ze hun netten weer binnen boord halen blijkt de vangst slecht te zijn. Onderweg naar het open water hadden ze in de verte in het samengepakte ijs enige zwarte stippen ontwaard, maar ze meenden, dat het grondijs was, kluiten aarde vastgevroren aan de ijsvloer. Maar als ze op de terugtocht wat dichter langs de ijswal varen, horen ze hulpgeroep. Dat moeten de Durgerdammer vissers zijn, van wier droevig lot men ook in Vollenhove al gehoord had. Ze wenden onmiddellijk de steven en naderen het hulpgeroep. En inderdaad, drie mannen op een slee, die uit alle macht de aandacht proberen te trekken.


Aan de mast op de slee is een rode zakdoek gebonden en de koffieketel hangt in de top. Edelenbos en Visser proberen de ongelukkigen te bereiken, maar hun scheepjes zijn te klein om door de ijsmassa heen te komen Er moet andere hulp komen. Eén van de punters vaart terug naar Vollenhove om een zwaardere boot te halen. Even later vaart een sterke roeiboot, bemand door Jan Driezen, Gerrit Zoetebier, Hendrik Edelenbos en Piet Tabois (afkomstig uit Durgerdam) uit de haven, gevolgd door de tjalk van schipper Arend Jongman. Het kost de grootste moeite door de samengeklonterde ijsschotsen te komen. Buitenboord hangend moeten de mannen met de voeten de ijsschotsen kapot trappen en wegduwen.

Maar eindelijk lukt het toch de ijsschots met de drie mannen te bereiken. De uitgeputte Durgerdammers worden voorzichtig van de slee

overgebracht naar de roeiboot. Het is net op tijd, want meteen daarop verdwijnt de schots met de slee daarop onder water. De moeizame

terugtocht naar Vollenhove wordt aanvaard. Daar is inmiddels alles in gereedheid gebracht voor ontvangst. In het logement Sauer (nu restaurant Seidel) is een kamer gereed gemaakt, de arts, dokter Ekker, is gewaarschuwd, evenals de beide predikanten ds. Uden Masman en ds. Dibbets. Onder luid gejuich worden de geredde mannen naar binnen gedragen, ds. Dibbets spreekt een dankgebed uit en ds. Uden Masman zal via een brief de familie in Durgerdam verwittigen van de goede afloop.

Dokter Ekker is echter na een eerste onderzoek somber gestemd over de overlevingskansen. De drie mannen hebben te veel geleden-



Advertentie uit het Algemeen Handelsblad

van 8 februari 1849

In Durgerdam wordt het bericht uit Vollenhove, door de postbode voorgelezen aan de analfabete vrouw Bording, met grote vreugde ontvangen. Meteen wordt de reis naar Vollenhove ondernomen, waar moeder Bording en enkele familieleden nog net op tijd arriveren om bij het sterven van de oudste zoon Klaas te zijn. Op 7 februari wordt hij op het kerkhof op de Voorst begraven. Veertien dagen later is ook vader Bording bezweken aan de doorstane ontberingen. Ook hij wordt begraven op de Voorst. Na enige tijd kan vrouw Bording met de jongste zoon terugkeren naar Durgerdam. In Vollenhove is meteen een steuncomité gevormd, dat in korte tijd voldoende geld bijeenbrengt om de weduwe Bording een jaarlijkse uitkering te verschaffen en om voor de jonge Jacob een vissersboot te kopen. Bovendien wordt op het graf een grafsteen geplaatst.


De originele grafsteen van het graf van vader en zoon Bording bevindt zich nu in het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen, in een van de huisjes in de zgn. Vollenhoofse buurt. Een nauwkeurige replica bedekt thans het graf in Vollenhove

Bron: CULTUUR HISTORISCH CENTRUM LAND VAN VOLLENHOVE

De Wieringer aak is in verschillende lengtes gebouwd: 42 voet, 40 voet, 38 en 36 voet. De Wieringer sprak van "een 40 voeter" als hij de grootte van zijn aak wilde aanduiden.

Maar evenals bij de blazer, was het verschil in lengte bij de Wieringer aak soms groot. Zo mat de WR 55 van Jan Bakker maar liefst 47 voet; het aakje van Jan Smit, de WR2, nog geen tien meter. Nog kleinere schepen werden door de Wieringers aangeduid als "skuten" of "skuutjes", zo is de WR60 (de latere TX60) een skuutje.

De skuten waren smaller dan de aken, bovendien waren kop en kont scherper.

Over de Wieringer bol lopen de meningen uiteen. Op Wieringen noemde men een bol eenvoudig aak. Ook kwamen er op Wieringen een paar botters voor: de WR 14 ex WR 95 was een botter, gebouwd in Huizen (in 1956 verkocht naar Ouddorp, ook de WR 295 (gebouwd in 1916) was een botter.

Aken werden gebouwd in Workum, Makkum, Hindelopen en op Terschelling, maar volgens sommige zegslieden ook nog op andere plaatsen zoals Ewijksluis. Maar de meest bekende en karakteristieke aken kwamen van de werf van Zwolsman in Workum. Brede stoere schepen, met breedvallende kop en kont (WR173 en TX 58) in tegenstelling tot de iets sierlijker vormen van de in Hindelopen gebouwde aken (vgl. WR17, WR167) die bovendien een zeer plat vlak hadden en in de regelondieper staken, speciaal voor de vangst op alikruiken. Wanneer de bun werd droog gepompt, zoals voor de wier- en mosselvisserij gebruikelijk was, staken de Hindelopers minder dan twee voet.

De meest opvallende verschillen met de botter zijn wel de kop met de meer terugvallende voorsteven, die bovendien lager is dan die van de botter, de bredere boeisels en de hogere kont. De kop heeft kluisborden en beretanden, en bovendien de zogenaamde snars of de "skillep", waartussen een ijzeren rol voor de ankerketting. Bij de botters kent alleen de Urker botter een dergelijke stevenverdubbeling.

Achter het krophout, net voor de zetboorden, zitten bij de Wieringeraak de "voorbolders ", vastgemaakt op potdeksel en dek. Achter de zetboorden bevinden zich bovendien nog aan weerszijden twee bolders tegen het zetboord aan, die deze zetboorden steunen bij gebrek aan een breder boord met potdeksel zoals bij de botter.

De mast is gesteund in het zeilwerk, de waterbalk bevindt zich dus achter de mast. De "grote bolders" van de botter ontbreken, de zwaarden, zeezwaarden iets langer en smaller dan van de botter, zijn opgehangen aan haken, die op de waterbalk zijn bevestigd. Soms zijn ze inklapbaar, door een los stuk zetboord weg te halen. Ook in het gedeelte tussen voor en achterplecht bevinden zich bolders, een soort halve maansklampen, die weer de zetborden steunen en bovendien via potdeksel zijn bevestigd aan het binnenboord, dat van de waterbalk tot aan het achterhuisje loopt. Net onder het binnenboord, op de inhouten, zijn inkepingen gemaakt voor losse balken, waarop eveneens losse luiken kunnen worden gelegd, de zogenaamde stelling. Deze stelling maakt tussen voor en achterplecht één doorlopend dek. De stelling lag ook gelijk met het bovenste gedeelte van de trog, evenals de achterplecht, die vast was. Het roer had een bredere ovalere vorm dan dat van de botter bovendien was de helmstok geheel recht, met een klos eronder die in horizontale stand rustte op de hennebalk of stuurbalk.

Evenals in de botter is onder de voorplecht de boeg, het gedeelte voor de dwarskooi, waar de ankerkabels en netten worden opgeborgen. Het kooischot heet hier het schot van de boeg, daarvoor, meestal aan bakboord, of aan beide kanten, bevindt zich nog een kooi langsscheeps, de zogenaamde "ziekkooi". De achterwand van het vooronder is het" schot van het hok", een vast schot, waarin ook het schuifdeurtje zat. Dan was er nog een schot voor de mast onder de waterbalk, daartussen was het "hok" als bergruimte.

Het achterste schot was met wervels aan de waterlijst vastgemaakt en kon worden weggenomen, bij voorbeeld bij het mosselen vissen, dan kon het hele schip worden volgestort, het schuifdeurtje ging dicht en men kwam via het luik in het vooronder. Aan weerszijden van dat vooronder waren banken, het broodkastje was meestal aan stuurboord net achter het schuifdeurtje. Tegen het "schot van het hok" was nog een bankje getimmerd, het zogenaamde "skandebankje" voor de jongen. Het vuurduveltje stond op een verhoging tegen het schot van de boeg, het" vuurstellinkje" .

De inhouten komen ongeveer overeen met die in de botter.

Opmerkelijk was evenwel, dat de mastbank werd gesteund door minstens vier knieën, ze zaten beurtelings op zitter en oplanger, de zitter liep dan van het vlak door tot aan de mastbank. Een "voordewinder" had de Wieringer aak niet, de voorste knie was alleen wat groter en zwaarder uitgevoerd. Onder de waterbalk zat bovendien ook nog een knie. Tussen de knieën en inhouten was ruimte, in tegenstelling tot in de botter, daar was de ruumte onder het zeilwerk "volgestopt" met hout.

Wat de tuigage betreft: de kluiverboom was veel korter dan die van de botter en het achterlijk van de fok ging voor de mast langs. Dat maakte ook het gebruik van stagen veel gemakkelijker. Tenslotte had de Wieringer aak twee zeilevallen, en bovendien geitouwen, zodat het zeil in de gei kon worden gehangen. Wanneer alleen de nok naar beneden ging gebruikte men die geitouwen eveneens, de nok met het bovenste gedeelte van het zeil werd op deze manier tegen de mast gebonden. Over bleef een klein driehoekig zeil, dat bij zwaar weer het sturen vergemakkelijkte.


De zeilevallen, nokkeval en voorval, werden belegd op de "knecht", Het voorval meestal aan deurtjeskant. Fok- en kluiverval werden belegd op twee halve klampen op de mast. De halende part van de dirk liep via twee eenschijfsblokken, waarvan de onderste middels een oogbout in dek en mastbank naast de mast zat. Sommige aken hadden voor dat doel een klamp met schijf aan de mast, in plaats van een los blok.

Ook de halstalie liep via een schijfje in de knecht, aan weerszijden naast de pennen (korvijnagels). Op kleinere aken volstond men met twee ogen, eveneens aan weerszijden op de knecht.

Versieringen, zoals gedichten en prinswerk, kwam aan boord van de aak zelden of niet voor. Het ijzerwerk werd meestal rood geschilderd.



De Wieringer Aak

Verklarende woordenlijst, behorende bij tekening



De Wieringen 60 in vroeger tijden

De Wieringen 60 voor reconstructie

De Wieringen 60 na reconstructie

Om te eten aan boord met vier man bemanning nam je mee: meel, rijst en roggebrood, maar van het roggebrood nam je niet te veel mee want dat beschimmelde toch.

Dan nog een zak aardappelen en een vaatje boter van dertig pond, een ronde gele kaas en brood. Koffie bracht je op kleur met chichorei.

Melk gebruikte je niet aan boord, want dat was niet goed te houden. En een borreltje was er ook niet aan boord!

Met de genoemde ingrediënten werden vooral gemaakt: meelkost en/of rijst met gebakken vis en aardappels.

Een gerecht was bijvoorbeeld Schokkertroet: meel in de kom, een beetje zout erbij, kokend water er langzaam bijgieten en dan roeren totdat het geheel gebonden was tot stijf deeg. In het midden maakte je een kuiltje voor de stroop en boter. Troet werd echter niet veel gegeten omdat men het nogal armoedig vond. En het was meteen koud, terwijl rijstgerechten lekker warm bleven.

Een zoodje bestond uit aardappelen en Zuiderzeevis van het seizoen (scholletjes, botjes, aaltjes, knorhanen, puitaaltjes en spieringen), lekker bij elkaar in één pan en het liefste in (zoet) regenwater gekookt, niet in zeewater, want dat werd te zout, met een grote klont boter en heerlijke mosterd.



Bron: Nieuw Land


Smullen aan boord

Op de foto: Jaap Kwakman, links en Albert Koning op de VD 67, een zoodje nuttigend.

Al eerder hebben we gelezen dat gekookte garnaal diende als aas. Je kocht een mand garnalen van zo’n 50 pond, het liefst grote garnalen

want je had ook grote haken.

Tot je ze nodig had bewaarde je ze in ‘karen’ (kisten met gaatjes) met je nummer erop buiten de haven, zodat ze levend bleven.

Een oudere man die met een bootje hand- en spandiensten verrichtte voor de vissers zorgde ervoor dat de karen om 4 uur ’s morgens werden opgehaald en bezorgd bij de botters. Hij hing de kisten achter de botters en wekte de vissers. De garnalen werden gekookt boven een open vuur in koperen ketels die door een koperslager in Edam waren gemaakt. Later kwamen ijzeren wasketels in gebruik. Aanvankelijk kookte men de garnalen in gewoon havenwater. Later werd ontdekt dat met zout gekookte garnalen het veel beter deden bij de vissen!

Een kom of tien zout moest je bij het water doen dan ving je veel meer.


Bron: Nieuw Land

Het aas voor de botvisserij

Op de foto zo’n oudere visser die de ‘karen’ bij de botters brengt.

Van 1911 tot 1913 bestelden tien Volendammers een ijzeren schip bij de Werf Vooruit in Enkhuizen. De bouwtijd van zo’n ijzeren schip betrof ongeveer 2,5 tot drie maanden. Maar omdat de Volendammer vissers niet erg goed konden wennen aan het ijzer werden ze praktisch allemaal na korte tijd weer naar elders verkocht.

Eén reden was dat de vissers de schepen niet vonden ogen, ze keken liever naar hout. Toch waren het fantastische zeeschepen die heel veel wind konden hebben, soms zo veel dat het zeil bijna van de mast afwaaide. En wat erg prettig werd gevonden: als je omlaag zat dan deed je het deurtje dicht en dan was het net alsof je in een hotel zat. Dat had je niet met die oude houten botters, dan moest je pompen of verzuipen!

Bron: Nieuw land

Van hout naar ijzer en weer terug naar hout….

Op de foto de ijzeren kleine botter VD 2 van Jan Tol.

Website: www.zuiderzeeambachten.nl


E-mail: zuiderzeeambachten@quicknet.nl


Telefoon: 0620345158


Kvk nummer: 53058291

BTW nummer: NL033351946B01

Regelmatig worden nieuwe verhalen geplaatst