Page 7 - Zuiderzee en Visserijverhalen
P. 7

Bij de slaapster

             Een  Marker  visser  werd  voortdurend  bestolen:  er  ging  geen  week
             voorbij of hij miste enkele kwartjes. Daarom ging hij naar de slaapster
             (somnambule) in Amsterdam en daar deed hij zijn verhaal. "Wat wil je
             dat ik doe, schipper?" vroeg de slaapster. "Kun je de dief niet het bloed
             onder de nagels uitpersen", antwoordde de Marker, "zodat ie het stelen
             voorgoed verleert?" "Ik ken haar wel plagen. Maar voor hoe lang wil
             je dat ik dat doe; voor een week, voor een maand, voor een jaar? Je
             hebt het maar voor het zeggen." "Dan voor levenslang." "Dat ken", zei
             de oude slaapster. "Wat meer is, het zal gebeuren. Op jouw verzoek
             zal ik haar plagen, zolang als ze leeft." "Is het een vrouw? " wilde de
             Marker nog weten. "Nee, ik zeg het je niet, nog niet, beste man. Je
             moet nooit te veel willen weten."

             Twee  maanden  later  kwam  de  Marker  weer  in  Amsterdam  bij  de
             slaapster. "'t Was mijn dochter", zei hij, "en je wist het." "Ziet ze wat?"
             vroeg de oude vrouw. "Ja", zei de visser, "elke nacht die God geeft
             ziet ze een witte hond, een helemaal witte hond. Ze hoort hem al uit
             de verte aankomen en met zware poten door het steegje lopen. Dan
             schuurt hij langs de regenton. De deur gaat open en hij komt de gang
             binnen. Hijgend ligt hij nog lang voor de deur eer hij binnenkomt en
             ze hem ziet. Dan komt er een zwarte kip met grote moeite door het
             venster gefladderd. Ze trippelt door de kamer, vliegt naar het bed en
             gaat op de rand zitten. Dan wiegelt ze heen en weer, al maar heen en
             weer... Mijn dochtertje krijgt het benauwd, o zo benauwd. Ze wil wel
             gillen, maar ze kan niet en dan slaat ze met haar armen en benen.
             Weg! Weg! Maar de zwarte kip blijft wiegelen en de witte hond blijft
             hijgend voor haar bed liggen en o God, o God..." De visser huilde met
             lange uithalen. De slaapster, die tegenover hem zat, zei: "Er is niets
             meer aan te doen. Je hebt het trouwens zelf gewild, maar ze zal gauw
             doodgaan; laten we zeggen over een maand of drie."

             Drie maanden later stierf het meisje ginder op Marken in de
             Kerkbuurt. Tot in haar laatste ogenblikken heeft ze de beide dieren
             gezien en gehoord: de witte hond die zo hijgde en de zwarte kip die
             op de rand van het bed heen en weer wiegelde.




             Bron: Verhalenbank Meertens Instituut
   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12